Uitkering bruto naar netto
Inhoudsopgave
- Hoe een bruto uitkering netto wordt
- De belastingberekening in box 1
- Het grote verschil: geen arbeidskorting
- Welke heffingskorting geldt wel? de algemene heffingskorting
- Rekenvoorbeelden uit de praktijk
- Soorten uitkeringen en de belastingregels
- WW-uitkering (werkloosheid)
- WIA- of WAO-uitkering (arbeidsongeschiktheid)
- Bijstandsuitkering
- AOW-uitkering (ouderdomspensioen)
- Het netto-effect van een uitkering op je maandbudget
- Een rekenvoorbeeld stap voor stap
- Veelgestelde vragen over bruto-netto uitkeringen
Ontvang je een uitkering en wil je weten wat daar netto van overblijft? Deze tool rekent je bruto uitkering om naar een netto bedrag per maand.
Hoe een bruto uitkering netto wordt
Wanneer je een uitkering ontvangt, bijvoorbeeld een WW- of WIA-uitkering, houdt de uitkerende instantie (zoals het UWV) belasting en premies in op het brutobedrag. Wat overblijft, is je netto uitkering. Dit proces lijkt op de inhouding op een salaris, maar er is een cruciaal verschil dat invloed heeft op de hoogte van je netto bedrag: de arbeidskorting.
Het belangrijkste om te onthouden is dat een uitkering fiscaal wordt gezien als ‘loon uit vroegere dienstbetrekking’ of een sociale voorziening. Hierdoor heb je geen recht op de arbeidskorting, een belastingvoordeel dat bedoeld is om werken lonender te maken. Je hebt doorgaans wel recht op de algemene heffingskorting. Dit verschil zorgt ervoor dat je bij een gelijk bruto bedrag van een uitkering netto minder overhoudt dan van een salaris uit werk.
De belastingberekening in box 1
Je uitkering valt, net als salaris, onder het belastbaar inkomen in box 1. De Belastingdienst heft hierover inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. In 2026 gelden hiervoor de volgende tarieven voor personen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt:
- Schijf 1: tot en met een inkomen van € 38.883 betaal je 35,75%.
- Schijf 2: over het deel van je inkomen van € 38.884 tot en met € 78.426 betaal je 37,56%.
- Schijf 3: over al het inkomen boven € 78.426 betaal je 49,50%.
Voor AOW-gerechtigden geldt een lager tarief in de eerste schijf, namelijk 17,85%, omdat zij geen AOW-premie meer betalen. Dit heeft een aanzienlijk effect op de netto AOW-uitkering. In ons artikel over de belastingschijven van 2026 lees je hier meer over.
Het grote verschil: geen arbeidskorting
De arbeidskorting is een heffingskorting, een korting op de te betalen belasting, speciaal voor werkenden. Het doel is om een financieel voordeel te geven aan mensen die betaald werk verrichten. Een uitkering is een vervanging van inkomen, geen inkomen uit tegenwoordige arbeid. Daarom kom je als ontvanger van een uitkering niet in aanmerking voor de arbeidskorting.
Dit heeft een flinke impact op je netto inkomen. De arbeidskorting kan in 2026 oplopen tot maximaal € 5.685 per jaar. Dit is een belastingvoordeel dat je misloopt. Het gevolg is dat de belastingdruk op een uitkering hoger is dan op een salaris van dezelfde bruto hoogte. Het verschil kan oplopen tot honderden euro’s per maand.
Welke heffingskorting geldt wel? de algemene heffingskorting
Gelukkig heb je met een uitkering wel recht op de algemene heffingskorting. Dit is een basiskorting op de inkomstenbelasting waar vrijwel iedere belastingplichtige in Nederland recht op heeft. De hoogte van deze korting is afhankelijk van je inkomen.
Voor 2026 geldt het volgende:
- De maximale algemene heffingskorting is € 3.115.
- Vanaf een bruto jaarinkomen van € 29.736 wordt de korting lager. Dit heet de afbouw.
- Bij een inkomen van € 78.426 is de korting volledig afgebouwd tot nul.
De uitkeringsinstantie past de algemene heffingskorting maandelijks toe via de loonheffing. Dit gebeurt automatisch, je hoeft hier meestal niets voor te doen. Lees meer over de precieze werking in ons artikel over heffingskorting en arbeidskorting.
Rekenvoorbeelden uit de praktijk
Om de theorie concreet te maken, laten we een paar veelvoorkomende situaties zien. De bedragen hieronder zijn berekend met de officiële cijfers voor 2026 en tonen het nettoresultaat voor verschillende soorten uitkeringen.
| Bruto per maand | € 2.100 |
| Loonheffing per jaar | € 9.009 |
| Netto per maand | € 1.609 |
| Bruto per maand | € 1.750 |
| Algemene heffingskorting | € 3.115 |
| Netto per maand | € 1.384 |
Alle voorbeelden zijn live berekend met de tarieven van 2026 en gaan uit van de standaardsituatie zonder persoonlijke aftrekposten.
Soorten uitkeringen en de belastingregels
Hoewel het basisprincipe van belastingheffing gelijk is, zijn er per type uitkering soms kleine verschillen om rekening mee te houden.
WW-uitkering (werkloosheid)
Een WW-uitkering van het UWV is gebaseerd op je laatstverdiende loon. De uitkering is bruto en hierover wordt loonheffing ingehouden. Je bouwt ook 8% vakantiegeld op, dat meestal in mei wordt uitbetaald. Dit vakantiegeld wordt belast tegen een bijzonder tarief. Meer hierover lees je in ons artikel over vakantiegeld berekenen.
WIA- of WAO-uitkering (arbeidsongeschiktheid)
Voor uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, zoals de WIA of de oudere WAO, geldt hetzelfde belastingregime. Het zijn bruto uitkeringen waarop loonheffing en de algemene heffingskorting worden toegepast, maar geen arbeidskorting.
Bijstandsuitkering
Een bijstandsuitkering via de gemeente is anders. Deze wordt vaak als een netto bedrag vastgesteld, gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. De gemeente berekent welk brutobedrag nodig is om tot die netto uitkering te komen en draagt de belasting af. Hoewel je een netto bedrag ontvangt, is de onderliggende berekening dus ook gebaseerd op het principe van geen arbeidskorting.
AOW-uitkering (ouderdomspensioen)
De AOW is een basispensioen van de overheid. AOW-gerechtigden betalen een lager belastingtarief in de eerste schijf (17,85% in 2026) omdat ze geen AOW-premie meer hoeven te betalen. Dit zorgt voor een relatief hogere netto uitkering. Benieuwd naar jouw AOW-leeftijd? Gebruik onze AOW-leeftijd calculator.
Het netto-effect van een uitkering op je maandbudget
De verhouding tussen bruto en netto is niet voor iedereen gelijk. Door de op- en afbouw van heffingskortingen en de progressieve belastingschijven, verandert het percentage dat je netto overhoudt naarmate je bruto uitkering stijgt. Bij een lage uitkering zorgt de algemene heffingskorting voor een relatief hoog netto bedrag. Naarmate de uitkering stijgt en de korting wordt afgebouwd, wordt het gat tussen bruto en netto groter.
De grafiek hierboven illustreert dit verloop. Je ziet dat de netto lijn niet perfect evenredig stijgt met de bruto lijn. De knikpunten in de grafiek worden veroorzaakt door de grenzen van de belastingschijven en de afbouw van de algemene heffingskorting.
Een rekenvoorbeeld stap voor stap
Om het proces volledig te doorgronden, volgt hier een handmatige berekening. Stel, Fatima ontvangt in 2026 een bruto WW-uitkering van € 2.800 per maand. Ze heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt. We negeren voor het gemak het vakantiegeld in deze jaarberekening.
| Stap | Omschrijving | Bedrag |
|---|---|---|
| 1 | Bruto jaarinkomen | € 2.800 x 12 = € 33.600 |
| 2 | Belasting in schijf 1 (35,75% over € 33.600) | € 11.992,80 |
| 3 | Maximale algemene heffingskorting | € 3.115 |
| 4 | Afbouw heffingskorting (inkomen boven € 29.736) | € 33.600 – € 29.736 = € 3.864 |
| 5 | Berekening afbouw (6,397% over € 3.864) | – € 247,18 |
| 6 | Toegepaste algemene heffingskorting | € 3.115 – € 247,18 = € 2.867,82 |
| 7 | Totaal te betalen belasting (stap 2 – stap 6) | € 9.124,98 |
| 8 | Netto jaarinkomen | € 33.600 – € 9.124,98 = € 24.475,02 |
| 9 | Netto maandinkomen | € 2.039,59 |
Veelgestelde vragen over bruto-netto uitkeringen
Waarom is mijn netto uitkering lager dan mijn netto salaris bij hetzelfde bruto bedrag?
Het verschil wordt veroorzaakt door de arbeidskorting. Dit is een aanzienlijke korting op de te betalen belasting die alleen geldt voor inkomen uit werk. Omdat een uitkering niet als inkomen uit werk wordt gezien, heb je geen recht op deze korting. Hierdoor betaal je over een bruto uitkering meer belasting dan over een bruto salaris van dezelfde hoogte, wat resulteert in een lager nettobedrag.
Hoe zit het met vakantiegeld op mijn uitkering?
Bij de meeste uitkeringen, zoals de WW, WIA en Ziektewet, bouw je 8% vakantiegeld op over je bruto uitkering. Dit bedrag wordt doorgaans in mei uitgekeerd. De Belastingdienst ziet deze eenmalige uitbetaling als ‘bijzonder loon’. Hierover wordt belasting ingehouden volgens het bijzonder tarief. Dit tarief houdt geen rekening met heffingskortingen (die worden al verrekend met je maandelijkse uitkering), waardoor het percentage hoger kan lijken dan je gewend bent. Lees alles hierover in ons artikel over vakantiegeld berekenen.
Ik heb naast mijn uitkering ook andere inkomsten. Wat nu?
Als je naast je uitkering ook andere inkomsten hebt, bijvoorbeeld uit een parttime baan, worden al deze inkomsten bij elkaar opgeteld voor de inkomstenbelasting in box 1. Dit totaal bepaalt in welke belastingschijven je valt en hoe hoog je heffingskorting is. Het is heel belangrijk dat je bijverdiensten doorgeeft aan de uitkeringsinstantie. Een veelgemaakte fout is dat zowel de werkgever als de uitkeringsinstantie de loonheffingskorting toepassen. Je krijgt dan maandelijks te veel korting en moet aan het eind van het jaar bij de belastingaangifte een flink bedrag terugbetalen. Je kunt dit voorkomen door bij een van de twee partijen de loonheffingskorting stop te laten zetten.